boekenopener.punt.nl
Fragment O.D.S.

Uit locker's e-roman "Over Die Schreef":

 

6.

 

Jasper staarde na het vertrek van Rita besluiteloos en boos op zichzelf naar de vallende duisternis. Hij probeerde ­zijn gedachten te ordenen. Dat mens had hem verdomme aan de praat gekregen. Hem uitgelokt. En dan te bedenken dat hij,Jasper de sukkel,langzamerhand in een stadium was geraakt waarbij de stoelgang meer gerief opleverde dan ejaculaties..

Hij had geen zin om avondeten klaar te maken. Met tegenzin haalde hij een fles minderwaardige Merlot onderuit de meterkast en pakte schrijfblok en potlood.

Na enig morrelen koos hij een CD en plaatste de schijf, een klaterende Watermusic van Händel, in zijn geluidstoren. Schonk zich een stevig glas in en zeeg neer op de bank.

Na meer dan tien minuten zijn onderlip bij elkaar te hebben geknepen schreef hij met veel onderbrekingen en doorhalingen op:

 

     "Gisteravond nog.

     De taboeretten scharen zich in hoefijzervorm rond de bedompte toog. Er wordt nog wat nagekaart. De eender zwart-wit ingesnoerde postbunnies groeperen op momenten van minder klandizie bij elkaar, roddelend, gapend en giechelend. Staan met hun gespannen onderbuiken tegen de op schaamteloze hoogte uitgestulpte serveerrand.

     Uit de koffieautomaten komt stoom. De damp slaat bij iedere beweging van de draaideur naar beneden.

     De cassière hangt met weke boezem wangensteunend in haar nis. Omdat zij over het geld gaat mag ze roken. Als ze niets heeft te doen kijkt ze in het niets.

     De man met het gedeukte gezicht krijgt nog de meeste aandacht. Steels. Zijn constant beslagen brillenglas verbergt een uitzichtloos gat. De naweeën van het moment waarop zijn linkeroog veranderde in een dofrose aalbes.

     Het gesprek naast hem ontgaat hem.

     ‘Negenvijfenzeventig inclusief mevrouw.’ Nansje is eraan  gewend geraakt om neutraal te doen tegen de namaakdame, net aangewipt uit de schouwburg ( ‘de subtiliteit blijft bij Ionesco nog steeds ver te zoeken niet?’). Wil heet ze, doodgewoon Wil en ze wil Nansje niet meer kennen. In groep vier vermeed Willeke het al om naast haar te zitten. Een dochter van een verlopen vader is besmet. Haar moeder had volgehouden dat ze zich er niets van moest aantrekken, maar het aangestoken koor van pestende buurtgenootjes scandeerde tot ver in haar puberdromen: nansepans viezerik, bleke bet lamstraal, je pappie mag het met je doen.

          Rinus spreekt verder in zichzelf: ‘Rustig an jongens. Doorloje. Ik gaan een hele opsode...rotboek...’ Tussen de oprispingen door blijft hij een gematigde optimist met het voorkomen van een geboren oplichter zonder vaste woon- of verblijfplaats. Hij zou dwan­garbeider zijn geweest. God weet waar en wanneer. Misschien is het alleen maar een aangedikt verhaal om hem nog zieliger te maken.

     Zijn verwarde manen en kapotte kleren vormen zijn contante  betaalmiddel. Hij heeft overdag enig publiek succes met het ritmisch blazen op een scheidsrechtersfluitje bij  Leidsenhage en langs de Poten in de illusie dat hij het verkeer regelt. ‘Ik heb een prachtig mooie...Zet af geweer...Een beetje poot-an met die radio zus..’ Hij steunt als hij zich vooroverbuigt en valt. De drie voorste vingers van zijn woeste rechterhand - let op de prachtige pigmentvlekken, daar zit een bekroonde kunstfoto in - maken langzaam een draaiende beweging. Hij krabbelt moeizaam op nadat hij meende eerst een zware transportfiets van zich af te moeten duwen. ‘De radio .. zacht..’ prevelt hij. Zijn stem slaat over in een stortvloed van verwensingen waar alle aanwezigen om moeten grinniken.

          Een beetje dreigend, maar eigenlijk alleen maar verliefd voor het moment, kruipt hij naar Lilly, zijn favoriete, toe. Lispelend, alsof zij een prettig geheimpje verklapt aan haar zoontje, praat zij op hem in en aait hem over zijn korstige hoofd.

     Met zichtbaar trillende dijen en een vraagteken op zijn voor­hoofd slaagt hij er uiteindelijk in zich op te trekken. Waggelt achteruit en blijft haar aankijken. Springt plotseling in de houding. Salueert model ‘at your service’. Schreeuwt er iets onverstaanbaars over gebrek aan rust achteraan.

     Niemand weet zijn achternaam. Hij kent zijn loopje wel terug naar nowhere, of blijft gewoon in de tram zit­ten. Hij fluit en bonkt in versnelling driemaal achterelkaar ­door de draaid­eur. Tenslotte middelpuntvliedend naar buiten. Hij lalt tomeloos als een im­beciel: ‘Want éénmaal... Achter moeder’s hutje groeie zeve rije krote op een klutje.’

     Geschrokken van zichzelf houdt hij zijn arm boven zijn hoofd, een slag verwachtend.

     Wezenloos staat hij zoekend naar evenwicht een halve minuut stil. Verongelijkt steekt hij z’n handen in de gaten van zijn gerafelde overjas. Dan schuifelt hij na een uitbundige boer onzeker dwars het spiegelnatte plein over. Beëindigt zijn mislukte optreden met een veelvuldig van kracht wisselende straal urine tegen een toch al gedoofde lantaarnpaal. Verdwijnt en wordt door niemand gemist.

          Zijn mislukte bestaan zat er al lang in. Als kind verzeilde hij in alle denkbare complexen. Wonen in de onmid­dellijke omgev­ing van een voetbalterrein hoofdklasse A had voor hem als negenjarige enige compensatie. Hij genoot bij thuiswedstrijden van de golven van gejuich afgewisseld door teleurstellend gezoem­ op zon­dagmiddagen geproduceerd door de aanhang van de thuisclub. De aanmoedigende losse kreten tussendoor. Zijn slaapkamerraam zag er riant op uit. Een schouwspel dat hem als heidens was ingeprent. Voetballen op de dag des Heeren was voor afvalligen en roomsen. Een geheim genootschap waarvan hij was uitgesloten. Een door benepen opvoeding opgezette buitenspelval.

     Hij kon het moment waarop een doelpunt viel precies bepalen want de spanningsontlading, een explosie van gejoel die dit bevestigde, werd ruim een seconde voorafgegaan door een eerbetoon van honderden handen die op de voor hem nog net zichtbare zuidtribune de lucht in gingen. Het veld zelf kon hij niet zien. Hoogstens een glimp bij een kopduel of een hoge bal.

     Nog net voordat hij voor de mid­dag­kerkdienst werd opgetrommeld, kon hij het leegstromen van de tribunes na afloop van de wedstrijd oppikken. Dis­cussies, vecht- en scheldpartijtjes. Dat ging er toen nog redelijk netjes aan toe. Zijn défilé. Wel even opletten dat ze niet tegen de lantaarnpaal gingen trappen want dan kwam het bordje ”Brandmelding op no. 165” in gevaar. En 165 dat waren zij, althans pa in functie.

     Natuurlijk draaide de gefantaseerde wereld om hem, maar ze hielden het stil om je ongedwongen met het gemene volk te leren om­gaan, te begrijpen om later beter te kunnen be­slissen over hun lot. Even harden. Hij redt het wel. Amerika en ijsbergen be­staan niet, maar het wordt je door je tijdelijk aangestelde en opvoedende naaste omgeving verteld om je te stimuleren tot grote daden.

     Sommigen redden het niet, zoals Bennie die doodziek was en Gerard die niet op de tweede trein van de andere kant had gelet toen ze samen naar zwembad Velserend renden.

     De voleinding van de wereld moest nabij zijn. Het smeltende asfalt van de Doodweg en de jagende wolken boven de spoorlijn waren de voorboden van het naderende verwording, een panische verbinding met het hiernamaals. De hemel verlaat ons en je kunt hem niet tegen houden. Hij zou braaf oppassen. Dat zou wel worden beloond.

     Je kunt er ook zelf wat aan doen. Een vergrootglas waarmee je in het volle zonlicht veters kunt aansteken. Een zak gewonnen stuiters. Macht en invloed, dat kwam wel. Kennis misschien, maar ja die rotjuf. Aanzien, door ooit in een bokkenwagen met knallende zweep door de polder te razen. Modderpad of niet. De huif half gesloten. Vliegende Hollander met het verhuld gezicht, de te vroege rimpels. Op naar de tombe van Multatuli. Halte Driehuis-Westerveld.

     Liggend op zijn buik tegen de steven van een geluidloos voortglijdende punter in de vaart langs de gulle boom­gaard van oom Aris. Handen door het glasheldere water laten slepen. Wegschietende witvisjes met flitsende flanken in het gebroken zonlicht, nagewuifd door nog al­tijd blije waterplanten. Rood­buikstekelbaarsjes, roodkaken eigenlijk, happend naar alles wat beweegt, zelfs naar rode wollen draadjes aan een haarlijn. Ze slikken ze meteen door. Dat maakt vangen doodmakkelijk..

          Hij, de gewaande veertienjarige held en redder van een verdwaalde kleuter, spartelend in de tankgracht. Hij had haar er zelf ongezien ingegooid. Was dat dan nodig? Salamanders konden toch ook zo zalig passief in het water terugglijden na een luchtje te hebben geschept.

     Maar dan kwam weer die ouwe tuinder met z’n zwaaiende stok achter je aan als je eens een keer over het hek was geklommen om aardbeien te pikken. De pilo-broek in paniek vol gespoten met ­diar­rhee (“lozingsreactie” beweerden ze twee klassen hoger) en met een reuzensprong over de heg ontsnappen (“dankzij een adreline-injectie” zei z`n rechtvaardige vader na hem te hebben gestraft met een aframmeling en kamerarrest). Ze hoefden elkaar niet te begrijpen.

     Na de verlammende astma-aan­vallen die zijn jeugd verpestten, en vurig exceem zijn schilferige huid overwoekerde, lag hij dood­moe uitgestrekt onder doornatgezwete lakens. Hopend en fantaserend. Om wedergeboren te worden in verwondering over alles dat volmaakt en zelfs even voor hèm toegankelijk leek te zijn geworden. Hij deed er zo lang en intensief mogelijk over om zijn uiterst bescheiden aandeel in de lusten van de herboren, veelbelovende jonge halfgod te herontdekken en te ondergaan. De hemel moest uit louter zuurstof bestaan.

God weet waar, wanneer het definitief mis met hem is gegaan. Zijn avontuur in Rusland plaatsmaakte voor een blijvende  nachtmerrie.

     Het etablissement was nog niet helemaal verlaten.

     ‘Twee slappe tieten en een kutje cola, plus één overreje’, wordt voor de overgebleven gasten als uitsmijter besteld nu de dominee tenslotte permanent voor­bij lijkt te gaan. De kreet is bekend. Niemand moet er nog om lachen.

     Het klokkenspel boven het plein slaagt erin de stilte te verslaan. Ijl in de nacht. Er moeten grachten of ­singels in de buurt zijn voor een passender lokale kleur."

 

De fles was allang leeg en het was inmiddels ochtend toen de laatste zin af was.Na veel aarzelingen zette hij ‘Debussy op zee’ boven de gedateerde inpressie.

‘s Middags las Jasper met een zwaar bonkend hoofd het epistel over. Hij haalde zijn schouders op. Te achterhaald wist hij opnieuw. Anathema. Teveel gebaseerd op herin­neringen en ervaringen uit een onnavolgbaar verleden, waarmee hij wanhopige contacten onderhield. Tegenwoordig gaat het over junks en hypes.

Er moest meer zijn tussen plagiaat en innovatie. Rita of god zal me moeten geleiden naar betere aanzetten tot gehaaid succes. ‘Eens meiensmorgens vroe‘ reciteerde hij uit het hoofd. De mid­deleeuwse dichter had het makkelijk. Concurrentie en kritiek ontbraken. Alles wat toen aan het papier werd toevertrouwd stond. Kor­daat scheurde hij zijn gekriebel uit het blok en verfrom­melde de blaadjes.

­Zijn prullenbak was onverzadigbaar.


---




Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl